texpas.eu

Wat doe ik met voorraad kleding en textiel die er al ligt als de regels ingaan?

Nog geen vastgestelde regel, wel een vaststaand kader

Voor voorraad die er al ligt wanneer de verplichting tot een digitaal productpaspoort ingaat, bestaat op dit moment geen vastgestelde regel. De ESPR (Verordening (EU) 2024/1781) is een kaderverordening: zij legt vast dát er productpaspoorten kunnen worden verplicht en volgens welke procedure dat gebeurt, maar de concrete eisen per productgroep — inclusief de vraag hoe wordt omgegaan met producten die al in voorraad liggen op het moment dat de verplichting ingaat — worden per productgroep uitgewerkt in een aparte gedelegeerde handeling. Voor textiel en kleding is die handeling er nog niet. Zodra die verschijnt, bevat die naar verwachting ook een bepaling over de ingangsdatum en over de vraag of die datum aangrijpt bij het moment van produceren, van invoeren, of van op de markt brengen.

Voor kleding en textiel, niet voor elk gebruiksvoorwerp

Dit onderwerp speelt voor kledingmerken, importeurs en private label-partijen die textielproducten aanhouden in voorraad — magazijnvoorraad, onderweg zijnde zendingen, of nog niet verkochte collecties. Het gaat hier specifiek om de verplichting uit de ESPR, die volgens artikel 1 van de verordening een kader schept voor ecologisch ontwerp van producten in de Europese Unie, met de mogelijkheid om via gedelegeerde handelingen eisen te stellen per productgroep. Voor textiel en kleding is dat kader nog niet ingevuld. Het geldt dus nadrukkelijk niet voor andere verplichtingen die mogelijk al wél gelden, zoals etikettering van vezelsamenstelling — die vraagstukken vallen buiten deze verordening en buiten dit antwoord. Ook geldt het hier besproken kader niet voor productgroepen waarvoor al wél een gedelegeerde handeling is vastgesteld; daar kunnen andere data en andere overgangsregels gelden.

Wat wél vaststaat, en wat nog niet

Een concrete datum waarop de verplichting voor kleding en textiel ingaat, is er nog niet. Wat wel bekend is: in het werkplan onder artikel 18 van de ESPR staat textiel als prioritaire productgroep genoemd, en de gedelegeerde handeling voor deze groep wordt verwacht in 2027, met kleding waarvan het textielvezelgehalte tachtig procent of meer bedraagt als eerste categorie. Een daadwerkelijke ingangsdatum van de verplichting zelf ligt normaliter later dan de publicatie van de gedelegeerde handeling, en wordt hier voorlopig rond 2029 aangehouden — dat is een inschatting, geen vaststaand gegeven. Tot de gedelegeerde handeling er is, geldt er voor textiel en kleding geen verplichting tot een digitaal productpaspoort, en is er dus ook geen regel over hoe bestaande voorraad wordt behandeld.

Wat dit voor de praktijk betekent

Voor voorraad die nu wordt aangehouden of ingekocht, is er op dit moment niets verplicht op het gebied van het digitale productpaspoort — die verplichting bestaat simpelweg nog niet voor deze productgroep. Zodra de gedelegeerde handeling voor textiel wordt gepubliceerd, is de eerste stap om te kijken naar de daarin opgenomen overgangsbepaling: bij vergelijkbare EU-productregelingen wordt de ingangsdatum doorgaans gekoppeld aan het moment waarop een product voor het eerst op de markt wordt gebracht, niet aan het moment van productie of invoer op zich — maar of dat ook voor textiel zo wordt vastgelegd, is nu nog niet bekend. Een tweede, praktische stap is het op orde houden van de gegevens die nodig zijn om een paspoort samen te stellen — materiaalsamenstelling, herkomst, productieproces — ook voor producten die nu al worden ingekocht of geproduceerd. Die gegevens zijn namelijk nodig ongeacht of ze uiteindelijk voor bestaande of voor nieuwe voorraad worden gebruikt, en ze zijn vaak makkelijker vast te leggen op het moment van productie dan achteraf te reconstrueren. Een derde stap, zodra de gedelegeerde handeling gepubliceerd is, is nagaan of de eigen voorraad op de relevante peildatum al op de markt was gebracht of niet — dat onderscheid bepaalt vermoedelijk of de verplichting van toepassing is.

Waar dit op is gebaseerd: artikel 1 en 18 ESPR

Artikel 1 van de ESPR (Verordening (EU) 2024/1781) beschrijft het onderwerp en toepassingsgebied van de verordening: zij stelt een kader vast voor het verbeteren van de milieuprestaties van producten, waarbinnen per productgroep specifieke eisen kunnen worden vastgesteld via gedelegeerde handelingen. Artikel 18 gaat over de prioritering en planning van die gedelegeerde handelingen, en noemt textiel als een van de productgroepen waarvoor prioriteit wordt gegeven aan de uitwerking van eisen. Beide artikelen laten zien dat de concrete invulling — waaronder een eventuele overgangsregeling voor bestaande voorraad — pas met de gedelegeerde handeling zelf tot stand komt, en niet al in de kaderverordening is vastgelegd.

Wat nu te doen

Er is op dit moment geen actie verplicht voor bestaande voorraad, omdat de verplichting voor textiel en kleding nog niet bestaat. Verstandig is wel om nu al te registreren welke gegevens over materiaalsamenstelling, herkomst en productieproces beschikbaar zijn per partij of collectie, zodat die informatie niet verloren gaat tegen de tijd dat de gedelegeerde handeling verschijnt. Deze pagina wordt bijgewerkt zodra de handeling voor textiel is gepubliceerd en er meer bekend is over de behandeling van bestaande voorraad.

Waar dit op gebaseerd is

De verordening zelf staat op EUR-Lex. Wij verwijzen per bewering; u hoeft ons niet te geloven.

Wat u concreet moet doen

Wat er van u wordt verwacht

Voorraad die nu al in het magazijn ligt, roept een vraag op die de ESPR zelf niet met een simpel antwoord beantwoordt: geldt de verplichting voor producten die al gemaakt en geïmporteerd zijn voordat de regels ingaan, of alleen voor wat daarna op de markt wordt gebracht? De verordening regelt in artikel 1 (Verordening (EU) 2024/1781) het onderwerp en de werkingssfeer in algemene zin, maar de precieze overgang van "oude" naar "nieuwe" voorraad wordt per productcategorie ingevuld via de gedelegeerde handelingen die op grond van artikel 18 (Verordening (EU) 2024/1781) worden opgesteld. Voor kleding en textiel is die handeling er nog niet. Wat er wél al te zeggen is, gaat over hoe een bedrijf zich daarop verstandig voorbereidt zonder op een tekst te wachten die nog niet bestaat.

Weten welke voorraad wanneer is geproduceerd of ingevoerd

Voor een bedrijf met tien tot honderd medewerkers betekent dit vooral: administratie op orde hebben. Wanneer een product op de markt is gebracht — de datum van productie, invoer of eerste verkoop — bepaalt straks mogelijk of het paspoort verplicht is of niet. Wie dat nu niet per collectie of partij kan aantonen, staat er bij de invoering van de regels zwakker voor dan wie dat wel kan.

Onderscheid maken tussen voorraad voor de EU-markt en voorraad voor elders

Bedrijven die ook buiten de EU verkopen, doen er praktisch aan om voorraad te kunnen splitsen naar bestemming. Het is voorstelbaar dat een verplichting alleen geldt voor producten die daadwerkelijk in de EU op de markt komen; voorraad die naar een magazijn buiten de EU gaat, valt daar dan mogelijk buiten. Zonder een systeem dat dat onderscheid vastlegt, is dat onderscheid achteraf moeilijk te bewijzen.

Niet vooruitlopen op verplichtingen die nog niet vastliggen

Sommige bedrijven kiezen ervoor om nu al paspoorten te laten opstellen voor bestaande voorraad, uit voorzorg. Dat kan verstandig zijn, maar het is geen verplichting zolang de gedelegeerde handeling voor kleding en textiel niet is gepubliceerd. Wat wel al zin heeft, staat beschreven op de pagina over wat kan ik nu al doen terwijl de regels nog niet definitief zijn.

Waar het misgaat in de praktijk

Geen productiedatum per partij. Een groothandel heeft duizenden stuks op voorraad, ingekocht via verschillende leveranciers over meerdere seizoenen, zonder dat per partij is vastgelegd wanneer het product is geproduceerd of ingevoerd. Als de regels ingaan en er een overgangsmoment blijkt te zijn, is niet meer te reconstrueren welk deel van de voorraad daarvoor of daarna valt.

Voorraad die "toevallig" wordt afgeprijsd voor de deadline. Sommige bedrijven overwegen om voorraad snel weg te zetten vlak voordat een verplichting ingaat, om onder de regels uit te komen. Dat is geen garantie dat het werkt — de regeling kan bepalen op basis van het moment van op de markt brengen, niet op basis van het moment van verkoop aan de consument — en het levert wél een besluit op dat achteraf moeilijk te verantwoorden is.

Verwarring tussen vernietigen en gewoon laten liggen. Voorraad die niet verkocht raakt, wordt soms vernietigd om ruimte te maken, zonder dat is nagedacht over of dat straks nog zonder meer kan. Die vraag staat los van het productpaspoort, maar wordt door bedrijven vaak in één moeite met de invoering van de nieuwe regels bekeken. Meer daarover staat op de pagina over mag ik onverkochte voorraad kleding en textiel nog vernietigen.

Onduidelijkheid over tweedehands en retourstromen. Voorraad die terugkomt via retouren of die als tweedehands wordt doorverkocht, wordt niet altijd apart geadministreerd. Bij een latere controle is dan niet meer duidelijk of een product "nieuw op de markt" is gebracht of als tweedehands circuleert, terwijl dat verschil relevant kan zijn. Zie de pagina over geldt het productpaspoort ook voor tweedehands kleding en retouren.

Verwarring over wat "op de markt brengen" precies betekent voor voorraad in een EU-magazijn. Een importeur die voorraad in een Europees distributiecentrum heeft liggen, maar die pas maanden of jaren later aan winkels levert, weet vaak niet welk moment telt: het moment van invoer, of het moment van feitelijke levering aan de klant. Dat onderscheid is voor kleding en textiel nog niet vastgelegd, en het is dan ook niet te zeggen wat daarvoor gaat gelden.

Wat u kunt vastleggen

  • Een overzicht per voorraadpartij van productiedatum, invoerdatum en land van herkomst, zodat achteraf te herleiden is wanneer een product feitelijk op de markt is gebracht.
  • Een splitsing in de voorraadadministratie tussen producten bedoeld voor de EU-markt en producten bedoeld voor markten daarbuiten, met een vaste werkwijze voor hoe die scheiding wordt gemaakt en bijgehouden.
  • Een dossier van leveranciersinformatie per partij: wie de fabrikant of importeur is, en welke gegevens die partij al aanlevert over materiaalsamenstelling en herkomst. Dat is dezelfde informatie die later nodig is voor een paspoort, en nu al verzamelen scheelt tijd zodra de verplichting concreet wordt.
  • Een interne afspraak over het afprijzen of afvoeren van oude voorraad, met een duidelijke reden die niet uitsluitend is ingegeven door het willen ontlopen van een verplichting die nog niet eens vastligt.
  • Een aantekening van de bron en datum van elke aanname die het bedrijf nu al doet over de overgangsregels, zodat bij publicatie van de gedelegeerde handeling snel te checken is of die aanname nog klopt.
  • Een overzicht van retour- en tweedehandsstromen, apart van de "gewone" voorraad, met een aantekening van hoe die producten zijn binnengekomen.

Bij het opstellen van zo'n dossier is het zinvol om ook al te kijken naar waar moet ik op letten bij het kiezen van een leverancier voor het productpaspoort, zodat de gegevens die nu worden verzameld later zonder dubbel werk kunnen worden overgezet naar een paspoort-systeem. Een vast sjabloon voor de voorraadadministratie voorkomt dat elke collectie opnieuw op een andere manier wordt vastgelegd, en maakt het makkelijker om bij een eventuele controle snel een compleet overzicht te tonen.

Dit is geen juridisch advies. Deze pagina geeft algemene informatie over de regelgeving waar dit platform over gaat. Wij kennen uw situatie niet. Bij twijfel over uw eigen geval raadpleegt u een jurist of de bevoegde toezichthouder.

Geschreven met AI op basis van de bronnen hierboven, gecontroleerd door een mens op 2026-08-22. Klopt er iets niet? Laat het weten — correcties krijgen voorrang.